Kleuters

Aan mijn vijfjarige dochter dank ik een bijzonder leerzame ervaring in wetenschapscommunicatie. Tijdens de kinderboekenweek, die over reizen ging, mocht ik de leerlingen van groep 1 en 2 van een basisschool in Assen vertellen over het onderzoek dat ik deed als student biologie. Nu had ik het voordeel dat mijn onderzoek Freek Vonk-esk was: ik onderzocht leeuwen in Afrika.

Voorafgaand aan het praatje was ik behoorlijk zenuwachtig. Ik sta geregeld voor uiteenlopende groepen. Meestal gaat dat om wetenschappers (van promovendi tot hoogleraren), journalisten of de mensen die zich bezighouden met de bemiddeling tussen die twee. Het dichtst in de buurt van kleuters komen de schamele ervaringen waarin ik universitaire studenten toesprak. En dat was hard werken.

Leuk en leerzaam

Kleuters zag ik als the next level. Maar zodra ik van wal stak, realiseerde ik me dat dit het beste publiek is dat je je kunt wensen. Tenminste als je iets over presenteren wilt leren. Kleuters zijn ontzettend direct. Zeker die in groep 1 hebben geen controle over hun impulsen. Zodra ze afhaken, merk je dat. Ze beginnen te wiebelen, moeten naar de wc, hun blik dwaalt af, ze gaan zitten klieren. Als je ze weet te boeien, dan hangen ze aan je lippen. Ze zitten letterlijk op het puntje van hun stoel, ze interrumperen je met vragen maar vooral het delen van eigen ervaringen. ‘Ik heb ook een keer leeuwen gezien in de dierentuin en toen ging ik slapen bij oma. Maar de vriend van mama…’

Als je de tomeloze nieuwsgierigheid van kleuters wilt aanspreken, heb je drie ingrediënten nodig. Het moet leuk en leerzaam zijn. En ze moeten jou mogen. Kort door de bocht heb je daarmee meteen de kern van de millennia oude ideeën over het overtuigen van je publiek te pakken, respectievelijk pathos, logos en ethos. Waar volwassenen in bepaalde kring gevoelig zijn voor zaken als cv, colberts en een Gooise ‘r’ (in andere kringen maak je je daarmee juist verdacht), moet ethos bij kleuters echt ter plekke verdiend worden. Ik stond daar voor de klas als ‘vader van’. Een foto van een tien jaar jongere versie van mijzelf in een innige omhelzing met een gelukkig verdoofde leeuwin tijdens het opmeten van de omvang van haar borstkas deed wonderen. ‘Wat was je daar knap,’ klonk het uit de zaal.

Het leuke zat ‘m in anekdotes, veel foto’s (bijvoorbeeld van een schaap dat ik eens achter in de auto vervoerde), grapjes, stiltes en vragen. Met dat laatste moet je overigens uitkijken. Je ontketent een heksenketel (gelukkig was er een juf). Als je erin slaagt je verhaal te laten aansluiten bij de belevingswereld en de behoeften van de kleuter, kun je in een half uur tijd veel kennis kwijt. Het zijn echt sponzen.

Innerlijke kleuter

Wat ik mij achteraf realiseerde is dat ik een karikaturale versie zag van wat ik mijn klanten probeer bij te brengen over hoe mensen presentaties ondergaan. Dit gebeurt ook op congressen en symposia, tijdens lezingen en colloquia, in de collegezaal en de media, aan de vergadertafel en tijdens de borrel. We hebben allemaal een innerlijke kleuter. Als het aan ons ligt, verkiezen we allemaal goede sprekers met leuke en leerzame verhalen boven suffe praatjes waar we niets van opsteken.

Het punt is dat de innerlijke kleuter in beschaafde kringen doorgaans schuilgaat achter een façade van fatsoen die we als volwassenen in stand houden. Zo kan het dat op congressen zalen vol goedbetaalde, briljante geesten urenlang de marteling van oersaaie presentaties ondergaand. Het vereist veel wilskracht, motivatie, interesse, inhoudelijke kennis en mentale energie om er toch wat van op te steken. Aan de buitenkant is weinig te zien, maar de innerlijke kleuter wil weg.

Ik kan iedereen aanbevelen de confrontatie met een klas vol kleuters aan te gaan. Geniet ervan en neem dat wat je opsteekt mee naar de volgende keer dat je een zaal volwassenen toespreekt.

Thinking, Fast and Slow

Mijn trainingen zijn schatplichtig aan het werk van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman. Recent had ik eindelijk zijn beroemde boek, Thinking, Fast and Slow, uit. Het was pittig om door te komen, maar staat boordevol inzichten over het menselijk denken. Die komen zeer van pas in een presentatiesetting.

Centraal in het boek staan twee systemen van denken. Het zien van een slang, de som 2+2=? of een woedend gezicht en het horen van je naam, een explosie of gegrom van achter een bosje, zijn allemaal zaken waar we niet over na hoeven te denken. Hun betekenis is direct duidelijk. Dit is het werk van wat Kahneman systeem 1 noemt. Het is een deels aangeboren en deels aangeleerd reflexmatig denken. Zonder dat je ervan bewust bent, dicht je betekenis toe aan prikkels uit de omgeving.

Als systeem 1 iets detecteert dat extra aandacht en rekenkracht nodig heeft, wordt systeem 2 aangezet. Wat is 17×24? Het antwoord op deze vraag vind je alleen als je je hersenen laat kraken. Je pupillen verwijden zich en je ben tijdelijk blind voor wat er om je heen gebeurt. Tel bijvoorbeeld eens hoe vaak de dames met wit shirt de bal overgooien in onderstaand filmpje.

Gelukt? Zag je de gorilla door het beeld lopen? Nee? Je bevindt je in goed gezelschap, de helft van de proefpersonen merkte het niet dat er een gorilla naar het midden van het veld liep, daar op de borst roffelde en weer wegliep.

Biases

De waarde van de taakverdeling tussen de twee systemen wordt duidelijk als je leert autorijden. Na de eerste lessen ben je doodop. Het schakelen, koppelen, sturen, gasgeven, inschatten wanneer je moet remmen om bij een stoplicht tot stilstand te komen (en er niet voor of na) vergt allemaal bewuste aandacht. En dan moet je ook nog op het andere verkeer letten. Na verloop van tijd gaan steeds meer zaken op de automatische piloot en heb je werkgeheugen over om een gesprek te voeren met een passagier.

Tegelijk heeft het systeem ook z’n zwakte. Automatische gedachten leiden lang niet altijd tot de juiste oplossing. Ze zorgen voor een waslijst aan biases. Het halo effect zorgt er bijvoorbeeld voor dat je mensen met een goede eigenschap ook andere goede eigenschappen toedicht. Een charismatisch voorkomen wordt al snel verward met het hebben van goede ideeën. De bevestigingsbias zorgt ervoor dat je meer waarde hecht aan argumenten die jouw gelijk bevestigen en de ontkenningsbias doet het tegengestelde.

Verwarring

Hoewel Kahneman zijn ideeën toespitst op denkfouten, vind ik het ook interessant om ermee naar een presentatiesetting te kijken. In een eerder blog beschreef ik al hoe het ene woord doodslaat en het andere de aandacht opeist. Het ene woord wordt herkend door systeem 1 en voor het andere moet systeem 2 worden aangezet. Zeg een woord en let goed op de nonverbale communicatie in de groep. Kijken mensen weg, vergroten hun pupillen (voor de scherpe waarnemer) en kijken ze bedenkelijk, dan zegt dat wat anders dan wanneer ze knikken en naar het puntje van hun stoel schuiven. Deze reactie gaat razendsnel en is nauwelijks te onderdrukken.

Dit gebeurt ook met slides. Heel vaak zijn slides zo vormgegeven dat je systeem 2 nodig hebt om er chocola van te maken. De boodschap zit verstopt in bullet points, grafieken, modellen. Het woord ‘goed’ wordt rood weergegeven, het woord ‘fout’ groen, tijd die van beneden naar boven loopt en een onderschrift dat dichter bij een ander plaatje staat dan waar het bij hoort. Voordat je door hebt waar je mee te maken hebt, verstrijken een paar seconden waarin je niet luistert naar wat de presentator zegt. Net zoals je een gorilla over het hoofd zou kunnen zien.

Don’t make them think

En ook bij lichaamstaal gebeurt het. Als je lichaamstaal iets anders zegt dan je stem, dan noem je dat incongruent. Vertel je zeer enthousiast over kankeronderzoek, dan geeft dat een ander beeld dan wanneer je dat met een serieus gezicht doet. Vertel je onderkoeld over jouw ambitieuze plan om de energietransitie erdoor te krijgen, dan sorteer je een ander resultaat dan wanneer je dat met passie doet. In het ene geval straal je desinteresse uit en dat nodigt jouw publiek niet uit om ook geïnteresseerd te raken.

Een goede presentatie is ontdaan van alles wat systeem 2 de verkeerde kant op stuurt. ‘Don’t make them think,’ om presentatiegoeroe Jerry Weissman te citeren. Je slides zijn simpel, visueel logisch en leiden de aandacht naar de boodschap die jij wilt overdragen. Je kiest vooral woorden die worden herkend door systeem 1 van je publiek. Gebruik je nieuwe begrippen, dan leg je ze uit. Laat je ingewikkelde figuren zien, dan benoem je dat ze ingewikkeld zijn en bouw je ze op in behapbare stapjes. Je zet je nonverbale communicatie, je stemgebruik en volume in om je boodschap te ondersteunen. Als het goed is, is er geen ontkomen aan.

Priming

Helder en congruent beeld voorkomt dat je publiek onnodig na moet denken. Het ontziet systeem 2. Maar je kunt ook de zwaktes van systeem 1 voor jouw karretje spannen. Met behulp van het juiste beeld kun je een bepaalde gemoedstoestand bij je publiek creëren. Je noemt het priming. Wanneer mensen het woord ‘oud’ zien, lopen ze daarna langzamer. Ze nemen de lading van het woord onbewust over. Als je bedenkt welke gemoedstoestand je publiek ontvankelijk maakt voor jouw boodschap, kun je op zoek naar de woorden en beelden die die gemoedstoestand oproepen. Zeker in het begin van je verhaal als je je publiek wilt overtuigen van het belang van je onderzoek kan dat werken.

En dan is er nog het onderscheid tussen hoe we iets ervaren en hoe we het ons herinneren. Als we terugdenken aan een ervaring, onthouden we twee dingen: de piek en het slot (peak-end rule). Daarbij vergeten we hoe lang een ervaring heeft geduurd (duration neglect). Het onderzoek dat Kahneman aanhaalt gaat over pijnervaringen, maar ik denk dat het ook toepasbaar is op presentaties. Het is belangrijk om in je presentatie je te richten op het herinnerende zelf. Want waar het ervarende zelf degene is die lijdt aan oeverloze presentaties en bullet points, neemt het herinnerende zelf beslissingen. Zorg dat het hoogtepunt van je verhaal gelinkt kan worden aan je kernboodschap en zorg voor een krachtige afsluiter.

Er valt nog zoveel te zeggen over dit boek en de toepassing ervan op presentaties. Misschien doe ik dat in een volgend blog. In ieder geval zou ik iedereen die meer over het menselijk denken (en dus ook dat van jezelf) wil leren aanraden dit boek door te werken.

P.s. Bij het lezen van Kahneman, herkende ik veel uit de klassieke retorica. De oude Grieken hadden al door dat als je wilt overtuigen, je er met rationele argumenten (systeem 2) alleen niet komt. Je publiek moet zich willen laten overtuigen door jou (ethos) en het belang van je boodschap voelen (pathos). Ethos en pathos exploiteren de taakverdeling tussen systeem 1 en 2. 

Goed ontwerp is onzichtbaar

Eenvoudige slides maken is ingewikkeld. Niet het toevoegen van decoratie en special effects, maar juist slopen en weglaten resulteert in slides die werken.

Goed ontwerp is onzichtbaar. Heb je er ooit bij stilgestaan dat een papieren koffiebekertje een ontwerp heeft? Net als een audiokabeltje, een schoenveter, een haarelastiekje, een ruitenwisser en al het andere dat door mensen is gemaakt, is een papieren koffiebekertje ontworpen. Iemand heeft maanden gewerkt aan het bedenken, maken en testen van een ontwerp dat het gewoon doet. Omdat het werkt, sta je er niet bij stil. Ontwerp ga je pas zien als er iets niet klopt, als het niet werkt, als de koffie aan de onderkant uit het bekertje lekt. Zichtbaar ontwerp kan een statement van een avantgardistische ontwerper zijn. Meestal is het het gevolg van onkunde of onverschilligheid.

Sloopwerk

Ook voor slides gaat deze vlieger op. Bij goed ontworpen slides ben je je niet bewust van de ontwerpkeuzes van de maker. Je begrijpt de betekenis zonder erover na te hoeven denken of ernaar te hoeven zoeken. Een goede presentatie biedt directe toegang tot de boodschap van de presentator. Net als bij een goede film of muziekstuk kun je je erin verliezen. Slides spelen daar een belangrijke rol in. Kijk maar eens naar de iconische presentaties van Steve Jobs. Zijn slides zijn een toonbeeld van eenvoud. Reken maar dat er een heel team goedbetaalde ontwerpers achter zit. Eenvoudige slides maken is namelijk meesterwerk.

Helaas beheersen veel makers van presentaties de kunst van de eenvoud niet. Hun ontwerp eist de aandacht op. Slides zitten bomvol bullet points, screen beans, WordArt, pixelige foto’s, plaatjes met het watermerk van de stockfotosite er nog op, functieloze opsmuk van letters (bold, italic, underlined), etc. Allemaal zaken die toegang tot de betekenis van een slide in de weg zitten. Mijn werk als presentatieontwerper bestaat voor een aanzienlijk deel uit slopen. Presentaties die ik voor het eerst onder ogen krijg, ontdoe ik van alle nutteloze elementen. Pas daarna werk ik aan het sorteren van impact.

Data-inkt ratio

Meester in het eenvoudsabsolutisme is Statisticus Edward Tufte. Hij schreef een standaardwerk over het verbeelden van data (The Visual Display of Quantitative Information). Above all else, show the data, stelt hij. De data moeten het verhaal vertellen, niet de opmaak. De vormgeving van een grafiek of tabel is puur functioneel en moet ervoor zorgen dat je niet om de data heen kunt. Tufte bedacht er een mooie term voor: de data-inkt ratio. Dit is de totale inkt (of pixels) die gebruikt worden voor een grafiek of tabel gedeeld door de inkt die gebruikt wordt voor het weergeven van de data. Is de data-inkt ratio 1, dan wordt elke inktdruppel benut om data weer te geven. Oftewel, de grafiek of tabel bevat geen loze elementen (chartjunk).

De linker grafiek een lage data-inkt ratio, de rechter heeft een hoge. (c)Wikipedia

Pas je de data-inkt ratio toe op de standaard (default) opmaak van Windowsprogramma’s als Excel en PowerPoint, dan benadert die 0. De grafieken zitten boordevol loze elementen als grijze achtergronden, lijntjes om staven en rasterlijnen. Als je een werkende figuur wilt maken, moet je dus aan het werk. Bedenk van elk element of je het weg kunt laten zonder informatie te verliezen. Sloop de grafiek of tabel net zo lang tot je echt niets meer kunt missen. Geef vervolgens het element dat de aandacht op moet eisen extra kracht. Een afwijkende kleur of een iets dikkere lijn is al genoeg.

Weglaten

Bij grafieken en tabellen moet je slopen, daarbuiten moet je vooral de neiging weerstaan om dingen toe te voegen. Velen zijn niet opgewassen tegen de verleiding om alle tekst bold, italic, onderstreept, of gekleurd te maken. Want dan weet het publiek tenminste wat belangrijk is. Maar wanneer alle elementen op een slide om aandacht schreeuwen, krijgt niets de aandacht. Zo’n slide straalt vooral uit dat de maker zelf ook niet weet wat het punt is. Eén highlight op een verder sobere slide eist onweerstaanbaar de aandacht op.

En dan heb je nog de hele trukendoos aan speciale effecten die met iedere nieuwe versie van PowerPoint uitdijt. 3D effecten, reflecties, flitsende slide-overgangen en sjablonen voeg je met een klik toe. Zeer zelden helpen ze om de boodschap duidelijk te maken. Ze voegen vooral complexiteit toe. Tegelijk is het maken van iets simpels als eenvoudige en consistente kleurblokken met tekst in bijvoorbeeld een conceptueel model heel lastig (mijn truc: ik plaats een tekstvak op een gekleurde rechthoek).

Prezi

Ditzelfde geldt trouwens voor Prezi. De filosofie achter dit programma is dat saaie PowerPoint presentaties interessanter worden door beweging over een groot doek. Mijns inziens klopt het uitgangsprincipe niet. Prezi is de overtreffende trap van de screen bean, decoratie on steroids. Als je bang bent om een saai verhaal te geven, dan moet je het verhaal aanpassen, niet de slides. Daarbij is het maken van een lineaire PowerPoint presentatie al ingewikkeld genoeg. Het inzetten van inzoomen, uitzoomen, draaien en bewegen op een manier die je boodschap ondersteunt is extreem moeilijk. Zoals onderstaand promotiefilmpje stelt, geef je je managers wat om over te praten. Ze zullen het hebben over de vorm en niet over de inhoud.

Al met al komt het erop neer dat de voorgeprogrammeerde opmaak in PowerPoint nooit het beste resultaat oplevert. De default is altijd fout. Eenvoudige slides maken is hard werken. Weet wat je met een slide wilt vertellen. Vertaal je idee naar beeld en martel het programma tot je hebt wat je wilt.

Tip: geef je echt een belangrijke presentatie (bijvoorbeeld bij NWO of ERC), schakel dan een professional in. Meer over de interactie tussen opdrachtgever en ontwerper in een volgend blog.

De kwestie bullet points

Het gebruik van bullet points is hardnekkig. Ik kom ze geregeld tegen in de slides van mijn klanten. Meestal probeer ik de bullet points om te werken tot iets dat de inhoud van het verhaal meer recht doet. In sommige gevallen vind ik bullet points wél toegestaan. Mijn ideeën hierover deelde ik vandaag in een workshop tijdens Bessensap.

Wat is er eigenlijk mis met bullet points? Een belangrijk probleem is dat ze de aandacht van je publiek afleiden. Presenteer je met PowerPoint, dan benut je twee kanalen bij je publiek: het visuele en het auditieve kanaal. Groot voordeel is dat je meer bandbreedte benut en je boodschap krachtiger overkomt. Als je het goed doet. Gebruik je beeld dat niet bij je verhaal past of ingewikkeld beeld (zoals veel uitgeschreven tekst), dan wint het beeld altijd. Mensen gaan op zoek naar betekenis en dit gaat ten koste van de aandacht voor jouw verhaal.

Een tweede reden om bullet points te vermijden komt uit de retorica. Al sinds de Klassieke Oudheid weten we dat toespraken niet alleen over inhoud (logos) gaan. Jouw persoon (ethos) en de emotionele lading (pathos) van je verhaal zijn veel belangrijker. Van iemand die je niet geloofwaardig acht, neem je niets aan en een verhaal dat je niet raakt, vind je niet snel overtuigend. Je kunt deze begrippen ook toepassen op je slides. Het ontwerp ervan beïnvloedt het beeld dat je publiek over jou vormt. Al dan niet bewust kan het idee ontstaan dat je het ontwerp van je presentatie en daarmee je publiek niet serieus neemt. Ben je niet in staat om je onderzoek kernachtig te verbeelden, dan vertelt dit impliciet dat je niet boven de materie staat en de stof niet beheerst.

Dan is er nog het cognitieve gemak (cognitive ease). Het is een van de automatische denkfouten die we aan onze evolutionaire geschiedenis danken. We houden graag een positief zelfbeeld in stand. Het kost minder energie om te zeggen dat iets niet klopt dan te erkennen dat we het niet begrijpen. Dus hebben we de onbewuste neiging om wat we niet meteen snappen als onwaar en slecht te bestempelen. Wat we kunnen begrijpen zonder hard te hoeven nadenken voelt juist als waar en goed. Zaken die bijdragen aan cognitive ease zijn onder meer aansluiting bij wat we al weten en een helder ontwerp. De moeite die het je publiek kost om je bullet points te decoderen tast zodoende je geloofwaardigheid aan.

Hoe dan?

Ergo: vermijd bullet points waar mogelijk. Maar hoe doe je dat? Wat doe je met informatie die je normaal in bullet points zet? Belangrijkste stap is zoeken naar een andere manier van ordening dan de verticale lijst. Alternatieven zijn:

  • Tijdlijn: als je een chronologische volgorde kunt aanwijzen, kun je je informatie horizontaal ordenen. Net als op een x-as zet je wat eerst komt links en wat later komt rechts.
  • Vergelijking: wil je twee of drie elementen met elkaar vergelijken, zet ze dan naast elkaar. Dit kan gaan over een pilot en een vervolgstudie, jouw aanpak versus die van je concurrent, of een behandeling en controle. Zet hierbij altijd de oude situatie links en de situatie zoals die wordt (of de gewenste situatie) rechts.
  • Ruimtelijk: zoek een analogie die de ordening van de elementen kan weergeven. Een paar voorbeelden:
  • Griekse tempel: heb je drie deelprojecten die samenkomen in een groter, synthetiserend project, dan gebruik je de deelprojecten als pilaren en het grote project als een dak.
  • Piramide: als er sprake is van een stapeling van begrippen, dan kun je weergeven in een piramide. Zie bijvoorbeeld de piramide van Maslow.
  • Trap: vergelijkbaar met de piramide, maar de trap gebruik je als je een aantal stappen in een vaste volgorde doorloopt om op een begerenswaardige plek te komen. Zo kun je de stappen die je doorloopt in de voorbereiding voor een Veni interview als trap weergeven.
  • Brug: heb je een interdisciplinair onderzoek dat twee vakgebieden verbindt, dan kun je dat als brug verbeelden.
  • Kruk of stoel: rust een begrip op drie of vier elementen, dan kun je dat vertalen naar respectievelijk een kruk of stoel. Zo zou de democratie het zitvlak kunnen zijn en de waarden vrijheid, gelijkheid en solidariteit de poten. Zaag je er een door, dan valt de kruk om.
  • Boom: is er sprake van een serie splitsingen, ouder-kind relaties, dan past dat in een boom. Zie een organogram of de evolutionaire boom.
  • Geografisch: soms kun je je begrippen kwijt op een landkaart. Dit kan gaan om onderzoekslocaties of de plekken waar je de mensen en instituten uit je netwerk zich bevinden.
  • Categorieën: soms kun je begrippen in categorieën van zaken met gedeelde eigenschappen verdelen. Insecten bij insecten, rode auto’s bij rode auto’s, bloedcellen bij bloedcellen.
  • Matrix: heb je een behandeling versus een controle en zieke versus gezonde proefpersonen, dan kun je ze in een matrix zetten.
  • Kaarten: soms werk ik een lijst even belangrijke onderdelen om naar een horizontale verzameling kaarten. Dit doe ik bijvoorbeeld met workpackages of deelprojecten. Hierbij gebruik ik een plaatje dat de inhoud van het deelproject symboliseert en zet er een kernwoord onder. Eigenlijk zijn dit verkapte bullet points, maar dan een stuk aantrekkelijker.

Nu vraag je je vast af: wat doet een lijst bullet points in een blog dat er juist tegen ageert? Wel, ik ben geen anti bullet points activist. In sommige gevallen zijn bullet points wel een goede manier van ordenen. Bijvoorbeeld in een geschreven tekst waarin je een lijstje beknopte voorbeelden wilt geven. Inspringen en opsommingstekens geven meer overzicht. Maar ook in presentaties kan het in een aantal gevallen. Belangrijk hierbij is dat je publiek niet na hoeft te denken over de betekenis van de woorden. Ze zijn niet mis te verstaan, of bieden een overzicht van wat je elders in je presentatie uitlegt. Ik ken drie varianten:

  • Inhoudsopgave: je laat in een lijst zien wat je gaat vertellen. De uitleg volgt later, dus je publiek weet dat het niet begrijpen van de bullets geen punt is. Mensen zijn bovendien gewend aan het lezen en begrijpen van een inhoudsopgave. Je biedt een overzicht dat later als anker kan dienen.
  • Samenvatting: je kunt aan het eind van je verhaal nog eens herhalen wat je hebt gezegd in je presentatie. Als het goed is weet je publiek wat de begrippen betekenen. Het is handig om nog even de belangrijkste punten in een geheel te zien.
  • Recept: als je de ingrediënten van een appeltaart en hun hoeveelheden wilt communiceren, is een lijst een prima manier. Over de woorden appel, meel en suiker onder het kopje appeltaart hoef je niet na te denken.

In presentaties die grotendeels uit voornamelijk beeldende slides bestaan, krijgen de slides die wel bullet points hebben extra nadruk. Wat anders is valt op. Daarom pas ik ze vaak toe om bijvoorbeeld de onderzoeksvragen of de impact aan te geven.

Als bullet points niet de oplossing zijn en ik ze niet kan omwerken tot iets anders, verdeel ik de informatie over meerdere slides. Kun je namelijk geen onderling verband tussen de onderdelen bedenken, dan belooft dat weinig goeds voor het verhaal dat je erbij vertelt.

Wat wetenschappers van clickbait kunnen leren

Clickbait, wetenschappers moeten er niets van hebben. Vaak vormt dit het excuus om geen moeite te doen om de eigen boodschap aantrekkelijk te verpakken. Doodzonde, want aantrekkingskracht hoeft inhoudelijke juistheid niet te bijten.

In veel van mijn trainingen richt ik me op het presenteren van onderzoek binnen de academische wereld. Natuurlijk is het hier van belang om je in te leven in het publiek, de juiste woorden te kiezen en je slides met zorg te ontwerpen. Ook in de wetenschap maakt dit verschil. Toch heb je met een relatief genadig en geoefend publiek te maken. Spreek je op een conferentie of voor je vakgroep, dan heb je doorgaans toehoorders die je proberen te begrijpen en die gedrild zijn in het uitzitten van onaantrekkelijke en nodeloos ingewikkelde presentaties.

De boze buitenwereld

De wereld buiten de wetenschap is minder vergevingsgezind. Neem bijvoorbeeld de tijdlijn op Twitter of Facebook. Daar tref je een overdaad aan aandachtstrekkers. Felle kleuren, prikkelende teksten, gifjes, foodporn, vrienden in exotische oorden, memes, beroemdheden en stuntelige katten concurreren om het goud op sociale media: aandacht. Sociale druk, fear of missing out, woede, weerzin, angst, hebzucht, lust, vertedering, verwondering. Geen psychologisch mechanisme wordt gespaard. Zie daar maar eens tussen te komen als wetenschapper.

Een goed uitgangspunt in de boze buitenwereld is te bedenken dat de mensen die je wilt bereiken in beginsel niet geïnteresseerd zijn in jou of je verhaal. Hoewel jouw onderzoek jouw levensmissie is, je er elke dag voor uit je bed komt en je er nachten van wakker ligt, interesseert het de outsider waarschijnlijk weinig. Gelukkig kun je daar wat aan doen. Een universele eigenschap waar we als mensen over beschikken is nieuwsgierigheid. Is de nieuwsgierigheid gewekt, dan is de bereidheid ergens moeite voor te doen of tijd in te steken groter.

Cruciaal is het onderscheid tussen verpakking en inhoud. Met de juiste verpakking en aanprijzing kun je van een onzinnig product een gewild object maken. Met een aantrekkelijke kop trek je lezers naar inhoudsloze artikelen. En met de juiste retorische middelen kun je mensen laten geloven dat de aarde plat is, het klimaatprobleem niet bestaat, dat je autisme krijgt van vaccinaties en mensen tegen het eigenbelang laten stemmen. Dit soort voorbeelden zijn precies de reden dat de meeste wetenschappers er aanvankelijk voor terugschrikken om zich te wagen aan het sexy verpakken van hun boodschap. Clickbait, overdrijving, inhoudsloze beloften zijn hen een gruwel in de ogen. En terecht.

Clickbait

Als je de definitie van Ben Smith van (notabene) BuzzFeed hanteert, heeft clickbait twee eigenschappen: het zorgt ervoor dat mensen klikken én het maakt de beloftes niet waar. Smith stelt dat zijn site nooit clickbait gebruikt. Als je klikt op de kop ‘23 “Game Of Thrones” Memes From The Season Premiere That Are So Funny They Should Be Illegal’, krijg je ook echt 23 memes te zien. Of die ook echt zo grappig zijn dat het illegaal zou moeten zijn, is subjectief en daarom moeilijk te falsificeren.

Makers van clickbait verdienen via advertentie-inkomsten aan clicks. Net zoals de visser niet uit is op het voeden van de vis als hij aas aan z’n haak rijgt, maakt het de bedenker van clickbait niet uit of de lezer aan z’n trekken komt. Of hij z’n beloftes waarmaakt, of hij fake news verspreidt of plagiaat pleegt doet er niet toe. Als er maar geklikt wordt.

Aantrekkelijk en kloppend

Stel dat je de verpakking van je boodschap langs twee assen legt: verleidingskracht en representativiteit. Clickbait scoort goed op het eerste, op het tweede niet. In de wetenschappelijke context zie je vaak het tegenovergestelde. Koppen van wetenschappelijke artikelen reflecteren de inhoud perfect, maar zijn zelden aantrekkelijk. Echte anticlickbait. Met behulp van de twee assen kun je nog twee posities bedenken. Een zinloze categorie is de kop die onaantrekkelijk is én de inhoud niet representeert. Interessanter is de kop die én de inhoud representeert én aantrekkelijk is.

De Correspondent heeft deze laatste categorie tot een kunst verheven. Hun koppen wekken nieuwsgierigheid en komen na wat ze beloven: ‘Kan de Brexit nog worden teruggedraaid? En nog 17 vragen voor wie de draad kwijt is’ (cijfers en lijstjes doen het altijd goed), ‘Hoe je een nieuw geneesmiddel vindt’ en ‘Toen ik deze cijfers onder ogen zag, besloot ik veel minder te vliegen’. Dit is een duurzame strategie. Als lezer weet je dat je kunt vertrouwen op wat er in de kop wordt beloofd (dat de koppen van de Correspondent ook aan erosie onderhevig zijn, komt ter sprake in deze podcast van Onder Mediadoctoren).

Dit werkt trouwens ook in de wetenschappelijke literatuur. Tijdens de trainingen over sociale en conventionele media die ik met boekhistoricus Erik Kwakkel gaf, vertelde hij dat hij online heeft geleerd om titels aan zijn wetenschappelijke artikelen te geven die werken (ze worden veel gelezen). Neem bijvoorbeeld: ‘Kissing, Biting and the Treatment of Feet: The Transitional Script of the Long Twelfth Century’. En: ‘Classics on Scraps: Classical Manuscripts Made from Parchment Waste in the Eleventh and Twelfth Centuries’.

Maak onderscheid tussen verpakking en inhoud

Erik Kwakkel, De Correspondent en BuzzFeed hoef je niet te imiteren. Een belangrijke les die je van hen kunt leren is dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen verpakking en inhoud. Het primaire doel van verpakking is activeren. Mensen laten stoppen met scrollen, laten klikken en beginnen met lezen. Informatieoverdracht gebeurt verderop in het proces. Steek je tijd in communicatie met je publiek (binnen of buiten academia), zorg er dan ook voor dat je boodschap aankomt. Krijg je de kunst van het verpakken onder de knie, dan combineer je als wetenschapper het best van twee werelden: een sexy verpakking om een inhoud die staat als een huis.

Gedeelde grond

In potentie is ieder onderwerp interessant voor iedereen. Zeker in een academische omgeving mag je uitgaan van een nieuwsgierig publiek. Wil je hiervan profiteren? Ga op zoek naar gedeelde grond.

De mondelinge presentatie, al dan niet met PowerPoint, is een bijzonder ineffectieve manier van informatieoverdracht. Ga maar na bij jezelf: wat herinner jij je nog van een presentatie die je vorig jaar, vorige maand, of zelfs gisteren, hebt bijgewoond? Van alle woorden die je over je hebt uitgestort gekregen, blijven er maar weinig hangen. Dit komt doordat een presentatie als multimediale ervaring nogal wat van de hersenen vergt. Je bent bezig met het verwerken van geluid (de stem van de presentator en omgevingsgeluid) en beeld (slides, lichaamstaal en omgeving). Een presentatie is lineair, je kunt niet terug- of vooruitspoelen. Je bent overgeleverd aan de verbale capaciteiten van de presentator. En op de achtergrond spelen zaken als appjes die binnenkomen, fysiologische ongemakken, wat je eerder op de dag hebt meegemaakt en wat je straks moet doen.

Motivatieoverdracht

Voor een slechte luisteraar als ik, kan het bijwonen van een presentatie een martelgang zijn. Minuten tikken tergend langzaam weg, herinner ik mij van menig college dat ik als student biologie bijwoonde. Vermoedelijk ontwikkel je als wetenschapper na verloop van tijd de vaardigheid van het geconcentreerd luisteren. Een mix van uithoudingsvermogen, motivatie en zelfbeheersing waarmee je de aandrang om andere dingen te gaan doen of ergens anders aan te denken kunt onderdrukken, stelt je in staat om ongeacht de presentatieskills van de spreker de voor jou nuttige informatie uit een verhaal filteren. Een trucje, dat ik helaas pas tegen het eind van mijn studie ontdekte, is na ieder college een vraag stellen. De dreiging die uitgaat van het jezelf en plein public voor schut zetten, dwingt je bij het verhaal te blijven.

Ik heb dan ook veel begrip voor het standpunt van Edward Tufte. Hij is een grootheid als het gaat om datavisualisatie en een uitgesproken tegenstander van de PowerPoint presentatie. Hij ziet liever dat we een geschreven tekst uitdelen, die rustig lezen en er dan over discussiëren. Als informatieoverdracht het primaire doel is, dan zou dit inderdaad de beste manier zijn. Maar presenteren gaat primair over motivatieoverdracht. De mondelinge presentatie is een magisch middel waarmee je je publiek in beweging kunt brengen. Vraag dat maar aan Jezus, Martin Luther King of Donald Trump.

Onbekend terrein

Als spreker heb je de verantwoordelijkheid om zuinig om te gaan met de tijd die je van je publiek krijgt. Tijd is een kostbaar bezit. Verstreken tijd krijg je niet meer terug. Bedenk eens wat voor nuttige zaken een hooggeleerd publiek van honderd mensen in drie kwartier kan doen. Dat zou al voldoende reden moeten zijn om iedere presentatie aantrekkelijk en relevant voor het publiek te maken. Bekijk je het vanuit je eigenbelang, dan kun je drie kwartier aandacht van een hooggeleerd publiek als unieke kans zien om honderd mensen te laten begrijpen en onthouden wat jij te vertellen hebt. Je hebt de kans honderd breinen aan het werk te zetten om jou ideeën te verbeteren en te motiveren om later jouw artikelen te lezen.

In potentie is ieder onderwerp interessant voor ieder publiek. Zeker in een academische setting is nieuwsgierigheid alomtegenwoordig. Put uit die grondstof. Ga op zoek naar gedeelde grond. Welke aspecten in jouw onderzoek spreken je publiek al voordat je iets gezegd hebt aan? Welke woorden maken nieuwsgierig? Als je vertrekt vanuit de interesse en kennis van je publiek, maakt dat de bereidheid groter om jou te volgen naar onbekend terrein. Als ze aansluiten bij wat je weet en interessant vindt, is er niets bevredigender dan nieuwe dingen leren. Ben je een bioloog en spreek je chemici toe, vertrek dan vanuit de wereld van de moleculen. Neem geschreven bronnen als vertrekpunt als je als archeoloog voor historici staat. En richt je je als wetenschapper tot de leek, vertrek dan vanuit de wereld van alledag.

Nieuwsgierig

Dat je moet vertrekken vanuit het al bestaande als je je publiek wilt meenemen naar het nieuwe weten we al sinds de Klassieke Oudheid. Het onderzoeksprogramma Anchoring Innovation van de Nederlandse classici in ons land bestudeert dit in verleden en heden. Toen architecten in de oudheid overstapten van houten constructies naar steen, vertelde Ineke Sluier me eens, werden structuren die voorheen nodig waren om hout te bevestigen nagebootst in steen. Bij veel elektrische auto’s plug je de stekker in op de plek waar voorheen de benzine naar binnen ging. De aansluiting zit onder precies zo’n klepje en de stekker heeft precies zo’n handgreep als je bij de benzinepomp vindt. Technisch gezien is dit nergens voor nodig, maar het sluit aan bij de verwachting van de voormalig benzinerijder.

Het principe hoor je al in een enkele zin. Bevat het eerste gedeelte van een zin woorden die nieuw of ingewikkeld zijn voor je publiek, dan luistert niemand naar het tweede deel. Neem de volgende zin: ‘Het bestuderen van de mechanica van metastase is een onmisbare stap in het leren begrijpen van kanker.’ De eerste helft van de zin zet je brein aan het interpreteren van de woorden metastase en mechanica. Daardoor hoor je het tweede deel van de zin niet en gaat het belang aan je voorbij. Draai je de zin om, dan werkt het wel: ‘Als we kanker beter willen leren begrijpen, moeten we de mechanica van metastase bestuderen.’ Je mag ervan uitgaan dat de meeste mensen in het publiek het belangrijk vinden dat we kanker beter leren begrijpen. Deze wens motiveert om te luisteren naar het tweede deel van de zin. Dat daar nieuwe begrippen staan maakt juist nieuwsgierig. Je gaat iets nieuws leren over een voor jou belangrijk onderwerp.

Je presenteert nooit twee keer voor hetzelfde publiek. Je kunt dan ook nooit twee keer dezelfde presentatie geven. Verplaats je in het perspectief van de toehoorder, doe onderzoek, bepaal het vertrekpunt van je publiek en start daar je verhaal. Dat is de eerste, onmisbare stap als je succesvoller wilt leren presenteren.

Vertel me meer!

Wil je begrepen worden en je publiek boeien? Let dan op je woorden. Waar het ene woord direct doodslaat, veroorzaakt het andere een explosie van nieuwsgierigheid. Voor de wetenschapper is er maar één manier om erachter te komen welk woord werkt: trial and error.

In mijn trainingen sta ik regelmatig stil bij het kernachtig en aantrekkelijk weergeven van je boodschap. Meestal oefen ik met een korte zin, maar beginnen met één woord kan net zo goed. Testen of woorden of zinnen werken, is simpel. Spreek ze hardop uit en wacht op de reactie. Die komt onvermijdelijk en direct.

Woorden als grensoverschrijdend, gendernormativiteit of handelsovereenkomst vallen als een baksteen op de grond. Een gênante stilte volgt. Soms zegt iemand: ‘wat zei je?’. Heel anders is het wanneer woorden als babybrein, lichtsnelheid of bitcoin vallen. Mensen schuiven soms letterlijk naar het puntje van hun stoel. Al dan niet hardop klinkt: ‘vertel me meer!’ Waar het ene woord de dreiging van tergend langzaam wegtikkende minuten introduceert, belooft het andere woord minuten vol verwondering en intellectuele behoeftebevrediging.

Hyperloop

Voor mij zijn energietransitie, gerontologie en cocreatie absolute rode vlaggen. Zeker als in dezelfde zin ook nog begrippen als innovatief, kenniscentrum of veerkracht staan. Kom ik ze tegen in de titel van een persbericht, dan is de kans miniem dat ik ga lezen. Zie ik ze op een titelslide staan, dan zakt me de moed in de schoenen. Mensen die dit soort woorden gebruiken als lokkertjes, slagen er doorgaans niet in om verderop in hun verhaal te boeien. Vaak blijken buzzwords en superlatieven goedkope communicatietrucjes om aandacht te vestigen op weinig spannende zaken. Helaas verhullen ze af en toe in tweede instantie heel relevante en belangrijke onderwerpen. Op mij sorteren woorden als kleuter, hyperloop, retorica, standaardmodel en democratie het tegengestelde effect.

Natuurlijk is dit subjectief. Er bestaan mensen die je midden in de nacht wakker kunt maken om te praten over een kenniscentrum voor energietransitie, innovatieve gerontologie of veerkrachtige cocreatie. Misschien haken zij juist af bij kleuter, hyperloop, retorica, standaardmodel en democratie. Wat een woord in je losmaakt hangt af van je kennis, interesses, opvoeding, levenslessen, ervaringen, overtuigingen, je genetische bouwplan, de levensfase waarin je je bevindt, wat je die ochtend in de krant hebt gelezen, hoe goed je geslapen hebt, hoeveel je de avond van tevoren gedronken hebt en ga zo maar door.

In principe lopen er op onze planeet 7,5 miljard verschillende perspectieven rond en evenzoveel manieren om woorden te verwerken. Bovendien is wat werkt voortdurend aan verandering onderhevig. Drie jaar geleden wilde ik alles over baby’s weten. Nu trekt wat over kleuters gaat mijn aandacht en over een jaar of negen geldt dat voor pubers. Hoewel het woord het belangrijkste probleem van onze tijd beschrijft, wordt klimaatverandering zo vaak gebruikt, dat het de spanning verliest.

Woordenschat

Dat alles maakt het voor de presentator bijzonder moeilijk om te bedenken welke woorden het publiek raken en welke woorden doodslaan. Aan je eigen gevoel heb je niks. Wat voor jou je raison d’être is, is voor een ander slaapverwekkend en wat jij volstrekt vanzelfsprekend vindt, kan bij de ander grenzeloze nieuwsgierigheid wekken. Bovendien speelt de angst mee om als dom of ondeskundig over te komen. Je succesvol richten tot een lekenpubliek vergt durf, cultuurbesef, inlevingsvermogen en beheersing van je vak.

Toch is het te leren. Ten eerste kun je grofweg een tweedeling aanbrengen in de doelgroepen die je wilt bereiken: je vakgenoten en de rest. Je vakgenoten beschikken over zoveel kennis van wat je te vertellen hebt dat jargon bij hen wel werkt. Bij hen kun je in je openingszin wel aankomen met metastase, fluorescent of ontwikkelingsstoornis. Voor de rest van de wereld geldt dat vrijwel iedereen nieuwsgierig is en in potentie wil horen wat je te zeggen hebt. De kunst is alleen om woorden te vinden die onderdeel uitmaken van de actieve woordenschat van je publiek. De kans dat mensen meer willen horen als je uitzaaiing, lichtgevend en ADHD zegt, is aanzienlijk. Iedereen heeft er zonder er over na te hoeven denken een beeld en associaties bij.

Ten tweede kun je het eenvoudig testen. Wat voor je vakgenoten werkt, merk je in het lab, tijdens de koffiepauze, in de wandelgangen of op een congres. Vermoedelijk heb je dat inmiddels door. Wat voor politici, CEO’s en panelleden van NWO en ERC werkt, ontdek je tijdens verjaardagen, bij de kapper, in de taxi, op het schoolplein of over de heg. Experimenteer. Varieer je woordkeuze en neem de automatische reacties van je toehoorders uiterst serieus. Glazige blikken en nieuwsgierige vragen zijn onmisbare input als je beter wilt leren spreken.

Omarm de leegte

Elke presentatietraining komt het weer voorbij: de angst voor leegte. Een lege slide en woordeloze seconden boezemen menigeen angst in. Dat terwijl witruimte en stilte onmisbaar zijn voor een goed verhaal of ontwerp.

Presentaties zijn altijd te kort. Dat geldt zeker voor de presentaties waarmee wetenschappers hun beursaanvragen moeten verdedigen. Ik heb mensen geholpen die slechts drie minuten kregen om hun onderzoeksvoorstel toe te lichten. Maar ook vijf of tien minuten zijn te kort. Zeker als je vele jaren van je leven meer dan fulltime gewerkt hebt aan het onderzoek dat leidde tot dit voorstel, is het onmogelijk om het in enkele minuten recht te doen. Dus is de verleiding groot om elke seconde en elke vierkante centimeter scherm zo vol mogelijk te stoppen. Datadump noemt presentatiegoeroe Jerry Weissman het resultaat.

Horror vacui

De tijd is beperkt en wetenschappers hebben een universele volledigheidsdrang. Maar er is meer aan de hand. Mensen hebben een hekel aan leegte. In je eentje voor een groep je verhaal vertellen is voor velen reden om flink zenuwachtig te zijn, maar in je eentje voor een groep staan en een stilte laten vallen is eenvoudigweg doodeng. We houden niet van stilte in sociale situaties. Het minimalistische muziekstuk 4’33 van John Cage is nauwelijks tot het einde uit te zitten. Valt er tijdens een verjaardag, waarbij de hele familie in een kring aan de taart en koffie zit, een stilte, dan geneert iedereen zich. Hoe langer de stilte duurt, hoe meer moed het vergt om ‘m te doorbreken. Het onderbreken van een stilte vergt durf, het laten voortbestaan ervan is een teken van zwakte, zo lijken we te denken. De drang om stilte op te vullen is zo sterk dat radio- en tv-interviewers er misbruik van maken. Gewoon niets zeggen is een eenvoudig trucje om een geïnterviewde aan het praten te krijgen.

Iets vergelijkbaars bestaat er als het gaat om het ontwerp van PowerPoint slides. Veel mensen hebben de neiging om hun slides zo vol mogelijk te proppen. Als er tussen de tabellen en grafieken nog ruimte is, dan is de verleiding die op te vullen met screenbeans, wereldbollen, twee in pak gestoken elkaar schuddende handen of andere decoratieve clichés onweerstaanbaar. Je zou het horror vacui (angst voor lege ruimte) kunnen noemen. De Italiaanse kunstcriticus Mario Praz bedacht de term voor de verstikkende atmosfeer van de propvolle Victoriaanse interieurs. Eenzelfde gevoel kun je krijgen van slides zonder ademruimte.

Paradoxaal genoeg weet iedereen hoe vermoeiend is om een bomvolle (qua beeld en gesproken woord) presentatie bij te wonen, maar bezondigt bijna iedereen zich er zelf ook aan. Mij incluis. ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet,’ gaat blijkbaar niet op. Eenvoud is bijzonder moeilijk. Om in een presentatie van drie minuten stilte in te bouwen en om het aantal elementen op je slide tot het minimum te beperken, moet je precies welk punt je wilt maken. Met mijn klanten tot een kernboodschap van één zin komen, kan soms uren duren. Toch is dit essentieel als je een goed verhaal wilt maken.

Micropauzes

Het accepteren van leegte is essentieel als je beter wilt leren presenteren. Stilte kun je gebruiken om een statement of een retorische vraag te laten landen. Micropauzes tussen secties van je verhaal geven je publiek de tijd om tussentijds bij te komen (en ze geven jou de gelegenheid om even op adem te komen). En als je je publiek twee seconden de tijd geeft om aan een complexe figuur (uiteraard zou mijn eerste advies zijn om die te versimpelen) te wennen, voorkom je overbelasting van het werkgeheugen. Op een slide met weinig informatie, gaat alle aandacht naar wat er wel staat. Soms is een slide helemaal niet nodig en volstaat een volledig zwarte slide die tijdelijk het scherm uit zet.

Naast deze expliciete opbrengsten zegt de leegte die je toestaat in je presentatie ook iets over jou. Waar volgepropte slides en een stortvloed aan woorden impliciet incompetentie uitstralen, etaleer je met stilte en lege ruimte durf. Je laat zien dat je boven de stof staat, hoofd- van bijzaken en doel van middel kunt onderscheiden. Je bent in staat keuzes te maken. Handige eigenschappen voor een topwetenschapper in spé.

Dus, doe jezelf en je publiek een gunst, omarm de leegte.

Wat een dag gedwongen mindfulness oplevert

Vandaag gaf ik een presentatietraining aan twintig promovendi. Dit zou inmiddels een walk in the park moeten zijn, ware het niet dat ik me fysiek verre van optimaal voelde. Frappant genoeg gaf ik een van mijn beste trainingen ooit. Ik zie hier een belangrijke les in.

De reistijd is een van de zegeningen van in het hoge noorden wonen terwijl je klanten vooral in de Randstad zitten. Het geroezemoes van de mensen om je heen, het mantra van de schommelingen die door de rijtuigen gaan en de geluiden van de motoren maken van de trein een ideale werkplek. Normaal gebruik ik de uren tussen Assen en mijn Randstedelijke bestemmingen om Facebook en Twitter te checken, mijn mailachterstand weg te werken of de krant te lezen. Ver weg van de rest van het land wonen zorgt ervoor dat ik tegenwoordig ruim op tijd ben en ontspannen aan de start van een training of adviesgesprek verschijn.

Vandaag kwam daar een extra dimensie bij. Omdat mijn energie en mijn mentale capaciteit beperkt waren, stond dit keer uit puur zelfbehoud alles wat ik deed in dienst van mijn opdracht. Dat begon al in bed. Ik lag er vroeg, sliep enigszins uit en nam ruim de tijd voor mijn ontbijt. Ondertussen luisterde voor de tweede keer naar een lang en rustig meanderend gesprek tussen Sam Harris en Stephen Fry over onder meer de zegeningen mindfulness en meditatie. Daarna stapte ik ruim op tijd op mijn fiets, reed rustig naar het station en nam een kop thee.

Het eerste deel van de reis luisterde ik verder naar het gesprek tussen Fry en Harris, dronk mijn thee, staarde naar het langstrekkende landschap en deed een korte meditatieoefening. Voorbij Lelystad klapte ik mijn laptop open, zette een kalme Spotify playlist aan en frutselde nog wat aan mijn slides. Ik typte een begin van een blog met presentatietips en zocht nog wat praktische details over de middag op in mijn mailprogramma. De ‘urgente’ binnenkomende mails die daar op de loer lagen, negeerde ik. Net als Facebook, LinkedIn en Twitter.

Zo arriveerde ik ruim op tijd en gedwongen mindful op de locatie van de training. De training die volgde was een van mijn beste ooit. Niet ondanks mijn fysieke gesteldheid, maar dankzij. Daar ligt een belangrijke les in over het belang van focus.

Wanneer je de volle beschikking hebt over je mentale en fysieke capaciteiten, betekent dat niet automatisch dat je die ook nuttig inzet. Overal om je heen en gedurende de hele dag wordt je gebombardeerd met zaken die ontworpen zijn om je primitiefste reflexen aan te spreken. Kleurige icoontjes op je telefoon die leiden tot instantane behoeftebevrediging, schreeuwende reclameboodschappen, urgentie uitstralende titels van mails en ander digitaal snoepgoed lokken je weg bij wat je eigenlijk moet doen. Als je ook maar in tien procent van de psychologische valstrikken stapt, betekent dat je kostbare hersencellen een aanzienlijk deel van de dag bezig zijn met het verwerken van volstrekt irrelevante informatie. Je laat je leiden door wat Daniel Kahneman je fast mind noemt.

Wanneer je, in mijn geval noodgedwongen, al die impulsen negeert, blijkt dat er eigenlijk heel veel ruimte in een dag zit. En blijk je zelfs met een fractie van je normale hersencapaciteit tot veel in staat. Moet je nagaan wat je kunt als je én volledig de beschikking hebt over je capaciteiten én in staat bent om die gericht in te zetten voor de taak die je hier en nu hebt. Essentialism, the disiplined pursuit of less noemt auteur Greg McKeown dit. Het is de capaciteit om je leven zo in te richten dat je je brein kunt inzetten voor wat belangrijk is. Albert Einstein en Steve Jobs hadden bijvoorbeeld altijd dezelfde kleren aan. De tijd die ze niet gebruikten voor het nadenken over wat ze aan zouden trekken, konden ze besteden aan hun briljante, wereldveranderende ideeën.

Het geheim achter zo’n gefocust leven werd me recent aangereikt door Susan Blackmore. In een interview voor de VPRO Gids vroeg ik haar hoe je kunt ontkomen aan de om aandacht schreeuwende elementen in ons leven (memes). Haar eerste advies is om beter met je aandacht om te leren gaan door te mediteren. Tijdens meditatie leer je herkennen wanneer iets zich opdringt aan je bewustzijn en ontstaat de keuze om er niets mee te doen. Wat dit oplevert begin ik inmiddels voorzichtig te ontdekken dankzij de zeer aan te raden Waking Up Course. Ten tweede is het belangrijk dat je leert wat je ware motieven zijn. Als je weet wat je echt wilt, waar je goed in bent, waar je energie van krijgt, dan weer je ook wat je verliest als je toehapt wanneer Facebook, Twitter of Outlook je digitale junkfood voorschotelt.

Natuurlijk wil ik snel weer up and running zijn, maar meer nog hoop ik dat ik de mentale superkracht die me vandaag ter beschikking stond meeneem naar mijn gezonde leven. Als is het maar een fractie.